De Nederlandse hervormde Kerk van Hollandscheveld (Provinz Drenthe). Een korte geschiedenis van het gebouw

von: Albert Metselaar

De geschiedenis van de Hervormde Gemeente van Hollandscheveld begint in 1757, als meester Pieter Jans Steen zich vestigt als onderwijzer aan het Hollandscheveldse Opgaande. Zijn onderwijs is doorspekt met bijbelkennis en catechismus en hij krijgt een officiële aanstelling als oefenaar. Het verhaal van de gemeente en de lange strijd voordat er een kerk in de velden gebouwd kon worden, wordt elders beschreven. In deze studie gaat de aandacht uit naar het gebouw waarin de Hervormde Gemeente 's zondags verzamelt is, de grond waarop het staat en de bijzonderheden van de bijgebouwen en de grond er omheen. Al in 1804 was het de bevolking van het Hollandsche Veld duidelijk dat de grond op de kop van het Zuideropgaande, een zandkop in het voormalige veengebied, de plaats van hun kerk zou moeten worden. Daarbij zou de kerk een centrale plaats in de venen ten oosten van het dorp Hoogeveen krijgen, en bereikbaar zijn voor zowel de bevolking van het Hollandsche Veld als het Krakeel.

Op 1 november 1824 nam onderwijzer Geert Roelofs Raak de grond in erfpacht waarop later de Nederlands Hervormde kerk en de bijbehorende pastorie gebouwd zouden worden: "De ondergetekenden, Hoofd- en Mededirecteuren der Algemene Compagnie van de vijfduizend morgens te Echtens Hoogeveen, als direkteuren van de kerk en kerkengoederen te Hoogeveen, bekennen in en mits dezen, in erfpacht te hebben uitgedaan aan G.R.Raak, schoolonderwijzer te Hoogeveen, die door zijn medeondertekening bekend, van de eerstgenoemden op erfpacht te hebben genomen, twee percelen of hoekjes ondergrond, gelegen op de noordkant van Rechtuit, het ene groot drieëndertig roeden en drieëndertig ellen ten westen, en het andere groot zevenen veertig roeden ten oosten van de stege of Allee, lopende van het Zuideropgaande naar de school. Zwettende ten oosten aan de grond van Arend Egberts van de Weide, ten zuiden tot midden in het diep, ten westen Jan Hendriks Kats en ten noorden aan de zuidkant van de kerkenkavel, en zulks voor een jaarlijkse erfpacht ad. Vier gulden en negenen zeventig cent, 's jaars St. Martini verschijnende, waarvan het eerste jaar erfpacht zal komen te verschijnen op St. Martini achttienhonderd vijfentwintig." Als voornoemde grond rond 1830 op de kaarten van het kadaster wordt ingetekend, blijkt dat Geert de grond in gebruik heeft als landbouwgrond. Inmiddels heeft hij ook de oostelijke helft van het huidige park bij de kerk in erfpacht genomen. Dit is in 1830 nog heideveld. De over-dracht van deze grond vond plaats op 1 november 1826. Er werd gesproken over 'een hoekje ondergrond, gelegen op de zuidkant van de Kerkenkavelwijke, groot ruim dertig roeden, zwettende ten oosten aan de ondergrond behorende aan de kerk te Hoogeveen, ten westen aan de grond behorende aan de gemeenteschool in het Hollandsche Veld, ten zuiden aan de grond welke door de erfpachter ook van de Hoofd- en Mededirecteuren is op erfpacht genomen, en ten noorden aan de Kerkenkavelwijke en zulks voor een jaarlijkse erfpacht ad. Een gulden achttien en een halve cent, 's jaars op St. Martini verschijnende". Het contract werd, na het vastleggen van de gebruikelijke bepalingen over belastingen en betalingen ondertekend door Geert Roelofs Raak en de direkteuren: R.O. van Holthe tot Echten, Warner de Jonge, Warner Stoter, en H.J. Carsten.

Wat was Geert van plan met al deze grond? De grond was zeker al vanaf 1804 voor de bevolking van de velden het aangewezen punt waarop een kerk gebouwd zou moeten worden. Maar ook na de bouw van een kerk en de onvermijdelijke pastorie zou er nog veel grond over zijn. Dat was ook in 1826 te bedenken. Geert Roelofs Raak moet in zijn denken uit zijn gegaan van de toentertijd algemeen gangbare situatie van een kerkhof op de zuidzijde van de kerk. Een kerkhof (=kerktuin), bedoeld als begraafplaats. Bij de bouw van de nieuwe kerk, in 1851, is de kerk ook inderdaad zo op het perceel geplaatst, dat er ten zuiden van de kerk een flinke strook overbleef tussen de kerk en het Rechtuit. Ten noorden van de kerk was dit niet van belang, en daar werden later andere gebouwen geplaatst. De hof bij de kerk, is er gekomen volgens eeuwenoude traditie. Op de zuidkant, de zonkant. Maar deze kerktuin werd niet meer gebruikt voor het begraven van doden. Daarvoor werd andere grond gezocht.

Een bouwarchief is niet voorhanden en alles wat we weten van de bouw op zich, moeten we halen uit de schaarse secundaire bronnen. We laten ons leiden door de kerk zelf. "Uit liefdegiften is deze kerk en pastory in den jare 1851 gesticht, onder toezicht van de heeren Mr.H.G.van Holthe tot Echten, Mr. A.H.Witsenborg, J.G.de Jonge, Hk. Berghuis, W.ten Oever, in commissie vereenigd." We lezen het op één van de beide gevelstenen op de voorkant van de kerk. Wat hielden deze liefdegiften in, en wie waren de mannen van de commissie? In 1849 deed Koning Willem II de toezegging, dat Hollandscheveld kon rekenen op een bedrag van f 600,- per jaar uit de kas van het Rijk, op voorwaarde dat men een zelfstandige gemeente, los van de Hervormde Gemeente van Hoogeveen ging stichten. Een commissie (de mensen van de gedenksteen) ging aan het werk en sloeg aan het cijferen. De commissie bestond uit één veldeling, Warner ten Oever, en vier grootgrondbezitters, hoofddirecteur en hoofdparticipanten van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen. Deze compagnie had nog rechten op de aan Geert Raak in erfpacht uitgedane grond. Opvallend is dat als bepaling in de erfpachtsbrief van Geert Roelofs Raak werd opgenomen, dat in geval de vererfpachters (de Hoofd- en Mededirecteuren) ten dienste van het kerkenfonds gebruik zouden moeten maken van de hoekjes grond, de erfpachter (Geert Roelofs Raak of eventuele rechthebbenden na hem) de grond weer zou moeten afstaan aan de Hoofd- en Mededirekteuren. Dit kerkenfonds beheerde 100 morgen veen en ondergrond in de gemeente Hoogeveen. Uit deze opbrengsten werd eveneens geld voor de kerk beschikbaar gesteld, en dit fonds (de hoofddirekteur en de hoofdparticipanten van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen) was dus in 1851 bij de bouw van de kerk weer eigenaar van de grond. Vandaar dus de namen van de grootgrondbezitters op de gevelsteen. Ze deden goed werk in de periode 1849-1851. Maar ze vertegenwoordigden ook de groep grootgrondbezitters die bijna 90 jaar lang kerkstichting in de velden hadden tegengehouden. In feite trokken ze een regelende rol naar zich toe, op het moment dat de kerk zou komen. Ze hadden zo een bevoogdende rol over de arbeidersbevolking en hun kleine bovenlaag, inclusief meester Geert Roelofs Raak, de mensen die tegen hun zin in de overheid en de kerkelijke besturen er van hadden doordrongen dat de kerk echt nodig was.

De commissie rekende uit, dat voor de bouw van een kerk met pastorie f 13.400,- nodig was. Daarvoor had men dan wel een kerk met een toren en een klok in gedachten, iets wat in de toenmalige gemeente Hoogeveen nog niet bestond. De synode schonk in 1848, 1849 en 1850 jaarlijks f 2000,-. De provincie Drenthe schonk f 2000,- Koning Willem II offerde uit eigen fondsen een bedrag van f 500,-. Een collecte in de provincie en de gemeenten bracht f 961,27² op. Particulieren gaven samen nog een bedrag van f 3.008,27. Daarvan was ruim f 500,- bijeen gebracht door tussenkomst van ds.C.van Schaick, in de jaren 1832-1833 hulpprediker te Hollandscheveld, namens de Hervormde Gemeente van Hoogeveen. Rabijn M.L.Kan uit Coevorden zamelde geld in uit Joodse kringen, door middel van een uitgegeven preek. Dhr. G.B.van Duijl uit Delfshaven sloeg op inspiratie van ds.C.van Schaick aan het dichten. Het boekje 'Het Hollandsch Veld in Drenthe' werd over heel Nederland verspreid en leverde overal geld op. Het totaal van al deze liefdegiften was f 12.469, 54². Genoeg om met de bouw te beginnen.

Voor de bevolking was de bouw van de kerk een zaak van bidden en werken. De Hoogeveense predikant ds.De Holl, namens de Hervormde Gemeente van Hoogeveen belast met de zorg voor de velden, leidde samen met Geert Roelofs Raak bidstonden in de school, nu het witte huis ten noorden van het park naast de kerk. Het eerste biduur werd gehouden op 16 mei 1850 en handelde over Mattheus 3:5. De bouw werd op 31 januari 1851 aanbesteed. "De eerste steen gelegd op den 12 mei 1851 door Mr.A.H.Witsenborg, namens de commissie", lezen we in de tweede gedenksteen in de voorgevel van de kerk. Er verrees in gewone lichtrode baksteen een bouwwerk in waterstaatsstijl, dat met zijn lengte-as op het oosten werd gericht. Er staan in Drenthe meerdere zogenaamde waterstaatskerken. Dit was een vrij algemeen bouwstijl in de 19e eeuw. In Nieuw-Buinen en Nieuw-Amsterdam staan kerken met zo op het eerste gezicht grote gelijkenis met de kerk te Hollandscheveld. Het torentje van Hollandscheveld, kan men op tal van andere kerken tegenkomen. Niet alleen de bouwstijl was dus vrij algemeen, zelfs het hele ontwerp van de kerk is niet origineel. Er stond in die dagen min of meer een soort basiskerk op papier, en dit basisontwerp kreeg al naar gelang de behoefte van streek waar hij gebouwd moest worden kleine aanpassingen. Voor de rest werden min of meer gelijke kerken gebouwd. Al beschrijvend hoe de kerk van Hollandscheveld er uit ziet, zal in feite aangegeven worden dat de waterstaatsstijl een kombinatie is van strakke lijnen, bogen en ronde vormen, waarmee een sober en niet al te duur gebouw neer te zetten is, dat door de visuele effecten meer suggereert dan het in werkelijkheid is, maar dat ondanks de soberheid en de kostenbesparingen een eigen schoonheid in zich draagt, dat velen weet te bekoren.

Deze eigen definitie verraadt enige beeldgrapjes in de vormgeving en is meteen een liefdesverklaring voor dit prachtige gebouw. Mijn waardering voor de waterstaatskerk komt voort uit mijn eigen godsdienstige beleving. Ik ben voor kerkdiensten op zoek naar plaatsen waar ik niet alleen auditieve stiltes kan vinden, maar waar dan tevens ook een visuele rust aanwezig is, zodat ik mij kan richten op lied en gebed. De stem van de spreker in mijn oren, en de stem van God in mijn binnenste. Daarnaast zoek ik geschiedenis, feitelijke geschiedenis of in atributen gesymboliseerd verleden, gebeurtenissen die mij raken, en die mij en het voorgeslacht met elkaar verbinden. Dit alles is hier ruim aanwezig. In en rond dit gebouw, overal voel ik de adem van het verleden, de stiltes in het heden en de aanwezigheid van het Hogere.

Op 26 december 1851 werd de kerk ingewijd door ds.C.van Schaick, naar aanleiding van I Samuël 12:24. De feestrede werd nog in 1852 uitgegeven. In 1989 volgde een heruitgifte. Het eerste in de kerk gezongen lied, was: 'Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort', zo zegt een overlevering. Geert Roelofs Raak had dit lied jaren tevoren als in een droombeeld horen zingen, toen hij over de zandhoogte liep, waar later de kerk zou verrijzen. Dit droombeeld kan op een door Geert Roelofs Raak doorgegeven verhaal terug gaan, maar dat dit lied als eerste in de kerk werd gezongen, daaruit blijkt niets uit de inwijdingsdienst. Het eerste lied tijdens de inwijdingsdienst was, volgens de uitgegeven feestrede, Psalm 103 vers 1: "Loof, loof den Heer, mijn ziel met alle krachten." Hoe dan ook, de overlevering zal ergens een grond hebben, maar op welke wijze het daarin genoemde lied met de geschiedenis van de kerk in verband staat, is niet meer na te gaan.

De kerk was zo'n centrale plaats in de streek, dat naar Hoogeveens voorbeeld s' zondags na de kerkdienst buiten de kerk mededelingen afgelezen werden. We vinden deze gewoonte onder meer terug in de notulen van de Vereniging Hollandscheveld van de vergadering van 23 november 1866, waar besloten werd '.....bij de kerk af te laten lezen wanneer vergadering zal gehouden worden.' Daarmee is tevens aangegeven, dat de kerk een centrale functie had, welke uitsteeg boven het belang van de Hervormde Gemeente. Het was toen al een centrum van de streek, het centrale punt in een uitgestrekt veld zonder ander middelpunt, midden tussen de lintbebouwing langs de kanalen. Wat betreft de bouwgeschiedenis, valt er uit deze periode niet veel te melden. Interessant wordt het weer in het begin van de 20e eeuw.

In 1901 werd er een vergaderzaal achter de kerk gebouwd. Deze was nodig, om het nieuw opgestarte verenigingsleven op te kunnen vangen. In 1896 werd de Christelijke Jongemannen Vereniging 'Gideon' opgericht. De jongemannen van Gideon hadden vergaderruimte nodig, waarin ze met de Schrift bezig konden zijn en in een gezellige sfeer serieuze onderwerpen konden bespreken. Op 28 november 1901 werd door Leffert Johan Boersma, de zoon van ds. Gerrit Boersma, de eerste steen gelegd voor de vergaderzaal achter de kerk. Een beschadigde gevelsteen in het gebouwtje herinnert eraan. De 'metselaar' van de eerste steen was 25 juni 1898 geboren, en tijdens zijn daad nog maar drie jaar en vijf maanden oud. De jongemannen van Gideon zetten zich flink in voor het nieuwe gebouw, en verzetten zoveel werk bij de bouw, dat ze de zaal voortaan voor niets zouden mogen gebruiken. Wat de bouw van het zaaltje architectonisch betekende, zien we als we het achterste gedeelte van de kerk en de bijgebouwen gaan bespreken. In 1910 is er ook het één en ander aan de kerk veranderd. Het huidige orgel werd opgebouwd (de orgelgeschiedenis wordt apart beschreven) en er werd tevens in de kerk nogal wat veranderd.

(Quelle: http://members.home.nl/albertmetselaar/hervkerk.htm )